Faillissement van een vof leidt niet meer automatisch tot het faillissement van de vennoten

op .

Een vennootschap onder firma (vof) is een eenvoudige rechtsvorm waarin twee of meer (rechts)personen onder een gemeenschappelijke naam een onderneming kunnen uitoefenen. In tegenstelling tot andere rechtsvormen van waaruit een onderneming wordt uitgeoefend (zoals bijvoorbeeld een BV) bezit de vof geen rechtspersoonlijkheid. Omdat de vof geen rechtspersoonlijkheid bezit, is iedere vennoot hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vof. De verbintenissen van de vof rusten dus ook op ieder van de vennoten persoonlijk.

Voor een schuldeiser van een vof bestaat aldus de mogelijkheid om zijn vordering op zowel het vermogen van de vof te verhalen, als op het privévermogen van de afzonderlijke vennoten. Wanneer de vof vervolgens verplichtingen niet voldoet, kan het faillissement van de vof aangevraagd worden. Zonder dat dit als zodanig in de wet is opgenomen, is het al sinds 1927 vaste rechtspraak dat in dat geval gelijk met het faillissement van de vof ook het faillissement van de afzonderlijke vennoten wordt uitgesproken. In een recent arrest heeft de Hoge Raad (HR) deze regel echter doorbroken. De HR heeft nu bepaald dat hoewel het bij een faillissement van een vof doorgaans onvermijdelijk is dat ook het faillissement van de vennoten zal worden uitgesproken, dat niet altijd het geval hoeft te zijn. Het is immers mogelijk dat een vennoot over voldoende privévermogen beschikt waarmee zowel de schuldeisers van de vof als diens privé-schuldeisers kunnen worden voldaan. Zelfs wanneer bepaalde vorderingen dan niet voldaan worden, brengt dat niet noodzakelijkerwijs met zich dat die vennoot in een toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen (en het faillissement dus kan worden uitgesproken). Bovendien is het zo dat vorderingen die derden op zowel de vof als de afzonderlijke vennoten kunnen verhalen, als afzonderlijke vorderingen moeten beschouwd, die onafhankelijk van elkaar kunnen worden ingesteld. Het is dan dus ook mogelijk dat een vennoot een hem persoonlijk toekomend verweermiddel (bijvoorbeeld een tegenvordering die kan worden verrekend) kan aanvoeren tegen de vordering van de aanvrager van het faillissement.
Voorts is de HR ingegaan op het bestaan van de per 1 december 2008 ingevoerde wettelijke schuldsanering (wsnp) voor natuurlijke personen. Wanneer vennoten een verzoek hebben ingediend om toegelaten te worden tot de wsnp, kunnen deze naar het oordeel van de HR niet zonder meer failliet worden verklaard indien het faillissement van de vof wordt uitgesproken, doch dient eerst de wsnp-aanvraag te worden beoordeeld.

Concluderend brengt het recente arrest van de HR met zich dat het niet langer noodzakelijk is dat het faillissement van de vennoten steeds en zonder meer intreedt als een gevolg van het faillissement van de vof. Wanneer u aldus een vordering op een niet-betalende vof heeft en deze desnoods door middel van faillissement wenst te incasseren, dient u zowel het faillissement van de vof als dat van de afzonderlijke vennoten goed te onderbouwen.

Tags: vof faillissement vennoten prive persoonlijk schuldsanering